x

Sigaren

Sigaren

Sigarenmakerijen en- industrie in Nederland

De enorme groei in productie en afzet van sigaren die zich tussen 1800 en 1950 in Nederland zal voortdoen, is met enkele uitzonderingen na, een louter Nederlandse aangelegenheid geweest. De Nederlandse sigaar werd het merendeel voor de binnenlandse markt gemaakt, en er kwamen praktisch geen buitenlandse ondernemers aan te pas.

Export vond deels ook al vroeg in de historie plaats en speciaal daarvoor hadden diverse grote fabrikanten een binnen- en buitendienst voor het buitenland opgezet. Zo zorgden eigen blikslagers ervoor dat sigaren perfect verpakt (waterdicht) werden voor hun lange reis, verkoop- en landenvertegenwoordigers zorgden voor de opdrachten en kennis van de buitenlandse markten.

Hillen uit Delft
Eind 18e eeuw worden er voor het eerst in Nederland lokaal sigaren geproduceerd. Tot die tijd werden vooral sigaren uit Brazilië, Cuba, Engeland en Spanje ge?mporteerd. Het is niet met 100% zekerheid aan te geven welke fabrikant hier in Nederland de spits afbeet. Vermoedelijk is het Albertus Hillen uit Delft geweest die vanaf 1770 diverse tabaksproducten is gaan maken, w.o. sigaren. De Duitse fabrikant, Johan Lehmkuhl begint later in 1826 met vier knechten als eerste in Kampen een kleine sigarenmakerij en zal louter sigaren gaan produceren.

Kleinschaligheid
Vanaf circa 1850 ontstonden in nagenoeg alle plaatsen in Nederland met een redelijk grootte, kleinschalige sigarenmakerijen. Veelal waren dat ofwel zogenaamde thuiswerkers of kleinbedrijven met hooguit 10 á 20 werklieden. Zij produceerden voor een lokale markt daar een efficiënte verkoop en distributie buiten de eigen regio nog lastig was.

Veel sigarenmakerijen hadden hun eigen winkel waarin zij hun producten aan de man brachten. Daarnaast leverden zij hun producten aan de lokale tabakswinkeliers, winkels van koloniale waren (koffie en thee) en de koffiehuizen. Tevens boden zij hun sigaren op markten aan en verkochten zij direct aan de boeren op het platteland. Kortom, zij deden alles dat mogelijk was om aan verkoop te komen.

Professioneel verkoopapparaat
Eind 19e eeuw ontstonden de eerste grote sigarenfabrieken met honderd en meer arbeiders. In die bedrijven krijgen de afdelingen verkoop en expeditie een belangrijker rol. Om de verkoop van hun producten op professionele wijze te organiseren, stichtten een aantal van die bedrijven een netwerk van filialen. De firma's A.H.J. Wijtenburg uit Leiden en de N.V. A. Hillen met de Van Andel keten uit Delft, zijn daarvan duidelijke voorbeelden. In iedere wat grotere plaats stond wel een filiaal van een van beide firma’s.

Heftige stakingen
Eind 19e eeuw is er tevens sprake van een 1e mechanisatiegolf, dat wil zeggen dat diverse eenvoudige productiehandelingen door machines worden overgenomen (strippen, kerven van tabak, etc.). Voor hoofdtaken blijft nog relatief lang geschoolde handarbeid nodig. Tussen circa 1890 en 1920 zullen er diverse malen heftige stakingen van (onderbetaalde) sigarenmakers plaatsvinden, die fabrikanten in eerste instantie tot massa ontslag, repressie of ontkenning laten overgaan. Schrijnende misstanden in en rondom fabrieken behoren helaas vele jaren tot de realiteit. Het is een tijd van de ‘Verelendung’ (Marx) van het ‘stadsproletariaat’. Kinderarbeid behoort tientallen jaren tot een wijdverspreid verschijnsel.

Opkomend socialisme
In 1895 wordt de ‘Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabakbewerkers-bond’ opgericht, die zeer belangrijk wordt voor de verbetering van de positie van de arbeiders. Het is de tijd van het opkomend socialisme. Het zal nog jaren duren voordat vooral de traditionele fabrikanten inzien dat het welzijn van hun arbeiders direct tot tevredenheid van allen leidt. Daarentegen was het hoopgevend om te zien dat er ook sigarenfabrikanten en stadsbesturen waren, die er w?l voor wilden zorgen dat de arbeiders in ‘hygiënische inrichtingen’ en fabrieken, met daglicht en medische verzorging, konden werken.

Hervestiging industrie
Eind 19e eeuw en begin 20e eeuw zien we dat veel producenten zich gaan hervestigen in het oosten en zuiden van Nederland omdat daar de lonen veel lager waren dan in de toenmalige ‘Randstad’. Productiekosten kunnen zo aanzienlijk worden teruggebracht.

Als een van de eerste grote fabrikanten is het de Amsterdammer Henry van Abbe (sigarenmerk Karel I)) die zich in 1908 Eindhoven-Gestel vestigt, en de amsterdamse fabrikanten Goulmy & Baar die zich reeds in 1897 in 's-Hertogenbosch vestigen (sigarenmerk Madame Recamier). Na de Eerste Wereldoorlog vindt een 2e mechanisatiegolf in de tabaksindustrie plaats.

Interbellum
Tussen de beide wereldoorlogen zien we dat de kleinschalige sigarenfabrikanten, die nog steeds uitsluitend voor de lokale en regionale markt produceerden, verdwijnen. De invoer van omvangrijke hoeveelheden goedkope sigaren uit Duitsland, direct na de Eerste Wereldoorlog, de aanpassing van de tabaksaccijns in 1922 en later de economische crisis (beurscrash Wallstreet 1929) van de dertiger jaren, waren funest voor deze bedrijven.

Concentratie industrie
Na de Tweede Wereldoorlog, toen de economie weer langzamerhand uit een diep dal omhoog krabbelde, bleek dat de sigarenproductie definitief in handen was gekomen van een aantal grote producenten die vooral gevestigd waren in het zuiden en midden van ons land: Eindhoven, Valkenswaard, ‘De Kempen’ (m.n. Bladel, Eersel, Duizel en Reusel), Veenendaal, Culemborg en Kampen. Ook voltooit zich een 3e mechanisatiegolf, waardoor er vanaf 1950 praktisch geen handwerk meer nodig is bij het productieproces.

Internationalisering
Schaalvergroting, rationalisering en internationalisering zullen vanaf 1950 de veranderingsprocessen kenmerken, waarmee kapitaalkrachtige buitenlandse concerns (m.n. Amerikaans-Britse en Zweedse), de meeste overgebleven Nederlandse sigarenbedrijven stap voor stap zullen overnemen. Alhoewel veel van de bekende merken nog steeds bestaan en het hoofdverkoopkantoor nog steeds in Nederland gevestigd is, maken de meeste onderdeel uit van een buitenlandse multinational. Slechts enkele bedrijven zijn in Nederlandse handen gebleven. Maar tot die overgangstijd is er waarlijk sprake van een ‘gouden eeuw van de Nederlandse sigaar’!

Industrieel erfgoed
Wat resteerde waren overal in Nederland verspreidde oude sigaren- en tabaksfabrieken, veelal in de binnenstad gelokaliseerd. Helaas heeft een ‘sloopcultuur’ die tussen 1960 en 1980 woedde, veel markante gebouwen laten verdwijnen. Ook het machinepark is meestal beland bij de hoogovens in IJmuiden. Een klein deel van het restant dat toch overgebleven is, heeft een op- en herwaardering gekregen als industrieel erfgoed.

Diverse gebouwen hebben nieuwe functies gekregen als woon- en werkplaats, enkele hebben de monumentstatus gekregen zoals de Van Nelle fabriek in Rotterdam en de Willem II / Goulmy en Baar sigarenfabriek in Den Bosch. Een schaarse uitzondering van de ‘oudjes’ doet nog werkelijk dienst als ‘traditionele’ fabriek of hoofdkantoor, zoals sigarenfabriek De Olifant, voorheen tabaksfabriek Fransen, te Kampen.

Succesvolle bedrijven
‘Last but not least’ zijn er in Nederland nog diverse succesvolle, zowel traditionele als ook ultramoderne sigarenfabrikanten aanwezig, zoals: Agio Cigars, Ritmeester Cigars, Swedish Match en kleinere als Van der Donk, de Olifant en Vantas.

Terug naar boven